Skip Ribbon Commands
Skip to main content
Sign In
 
 
NL
:

Woordenlijst

Woordenlijst
25/11/2013 15:20
​Het landschap van het begrotingsrecht in België is grondig gewijzigd sinds de inwerkingtreding op 1 januari 2009 van de wet van 22 mei 2003 (BS 3 juli 2003) houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de Federale Staat. 
De principes in deze nieuwe wetgeving zijn grotendeels verworven. Toch zijn nog niet alle bepalingen ervan van toepassing. Aangezien het hier een ingrijpende hervorming betreft, is het ook zo dat de concretisering van de praktische gevolgen ervan binnen de betrokken entiteiten jaren zal vergen.  
Wij kunnen dus gerust van een overgangsfase spreken.  
Aangezien dit glossarium bedoeld is om de meest gebruikte begrotingstermen uit te leggen, kunnen wij ons de vraag stellen of wij al dan niet het einde van die overgangsfase moesten afwachten om er de in de nieuwe wetgeving gebruikte woordenschat in op te nemen. Het naast elkaar laten bestaan van termen betreffende twee wetgevingen (de oude wetgeving, gecoördineerd door het koninklijk besluit van 17 juli 1991 en de nieuwe die heel onlangs in werking is getreden) had weinig zin: het risico op verwarring zou te groot geweest zijn. De auteurs hebben hun blik dan ook resoluut naar de toekomst gewend. Daarom werden alle begrippen en termen die op middellange termijn zullen verdwijnen, uit dit glossarium verwijderd en werden er nieuwe concepten aan toegevoegd.
Wanneer de lezer wordt geconfronteerd met een (oud) begrip dat van toepassing was in de gecoördineerde versie van 1991, grijpt hij dus het best terug naar een oudere versie van de Algemene Toelichting.
 
Het principe van dit glossarium blijft evenwel hetzelfde: het wil termen uitleggen die soms weinig gekend zijn door het grote publiek, zonder zich op absolute nauwkeurigheid voor te staan.

 

A
AANPASSINGSBLAD
Wetgevende akte houdende de ontwerpen van aanpassing van de Middelenbegroting of de Algemene Uitgavenbegroting. Wordt ook BIJBLAD genoemd.
AANVULLEND KREDIET
Het betreft bijkomende kredieten die worden geopend om kredietoverschrijdingen a posteriori te regulariseren (bijvoorbeeld vaste uitgaven).
ACTIVITEIT
Werkzaamheid of verrichting waaraan begrotingsmiddelen worden toegewezen en die, afzonderlijk of gegroepeerd, een bijdrage vormt tot de verwezenlijking van de doelstelling die een activiteitenprogramma na streeft.
ACTIVITEITENPROGRAMMA

Het vereist de inzet van kredieten voor specifi eke uitgaven met het oog op een welbepaald doel; dit kan zijn:

- ofwel een van de permanent uitgeoefende functies van de organisatieafdeling;
- ofwel een gelegenheidsopdracht toevertrouwd aan deze afdeling.

AFGESTANE EN TOEGEWEZEN ONTVANGSTEN
Door de Staat geïnde ontvangsten die niet aan de Middelenbegroting ten goede komen, maar worden afgestaan onder meer aan de Europese Unie, de Gemeenschappen en Gewesten alsook aan de sociale zekerheid.
ALGEMENE REKENING VAN HET ALGEMEEN BESTUUR
De algemene rekening van het algemeen bestuur omvat de jaarrekeningen van het algemeen bestuur alsook de uitvoeringsrekening van de begroting.
 
Ze wordt opgesteld door de minister van Begroting, die ze aan het Rekenhof ter controle overzendt vóór 30 maart van het jaar volgend op het jaar waarop ze betrekking heeft.
 
Het Rekenhof op zijn beurt bezorgt de algemene rekening van het algemeen bestuur samen met zijn opmerkingen aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers vóór 31 maart van het jaar volgend op het jaar waarop ze betrekking
heeft.
ALGEMENE TOELICHTING
Document waarmee de regering een synthese en een ontleding verstrekt over de ontwerpen van begrotingen voor de ontvangsten en de uitgaven over een bepaald begrotingsjaar.
 
Volgens de wet op de rijkscomptabiliteit bevat de Algemene Toelichting minstens:
 
1. de analyse en de samenvatting van de begrotingen;
2. een economisch verslag;
3. een financieel verslag;
4. een meerjarenraming;
5. een nota over het Zilverfonds;
6. een solidariteitsnota over de middelen toegewezen aan de officiële Belgische ontwikkelingshulp.
ALGEMENE UITGAVENBEGROTING
De Algemene Uitgavenbegroting voorziet in en behelst machtiging tot de uitgaven, per programma, van de diensten van algemeen bestuur van de Staat. De kredieten voor de programma’s groeperen afzonderlijk de begrotingsmiddelen die betrekking hebben, eensdeels op de werkingskosten van de administraties (bestaansmiddelenprogramma’s) en, anderdeels, op de doelstellingen van de activitei tenprogramma’s.
 
De Algemene Uitgavenbegroting bepaalt zonodig de aan de uitgaven verbonden voorwaarden. Zij bevat bijzondere bepalingen voor de facultatieve toelagen en zonodig voor de afwijkingen op de algemene wetgeving betreffende
de rijkscomptabiliteit.
 
De Algemene Uitgavenbegroting bevat een verantwoording samengesteld uit nota’s die het volgende toelichten:
 
- de algemene beleidslijnen van de departementen;
- per organisatieafdeling, de toegewezen opdrachten;
- per programma de nagestreefde doelstellingen, alsook middelen die moeten worden ingezet om deze te verwezenlijken.
B
BASISALLOCATIE
Uitsplitsing van de uitgavenkredieten met betrekking tot een programma in meer gedetailleerde begrotingsallocaties overeenkomstig de economische classifi catie. De aanrekening van de uitgaven gebeurt op de basisallocaties.
Basisallocaties mogen stricto sensu niet met “begrotingsartikelen” worden verward.
Wat de inkomsten betreft, spreken wij niet van basisallocaties maar van artikelen van de middelen, welke eveneens volgens de economische classifi catie zijn gestructureerd.
BEGROTING
Wetgevende akte waarin de geplande en toegelaten ontvangsten en uitgaven van een overheid opgenomen zijn voor een bepaalde periode, meestal een jaar.
BEGROTINGSARTIKEL of BASISALLOCATIE (in ruime zin)
Genummerd onderdeel van de Algemene Uitgavenbegroting vergezeld van een bewoording waarmee een uitgave wordt gedefinieerd.
 
De begrotingsartikelen van de Algemene Uitgavenbegroting zijn als volgt gestructureerd:
 
- departementale begroting (twee cijfers),
- organisatieafdeling (twee cijfers),
- programma (één cijfer),
- basisallocatie stricto sensu (zes cijfers waarvan de eerste vier overeenstemmen met een economische code en de laatste twee met een volgnummer).
BEGROTINGSBIJBEPALING
Een bepaling opgenomen in het beschikkend gedeelte van een begrotingswet die een afwijking op de principes van de rijkscomptabiliteit of van de bestaande wetgeving toelaat.
BEGROTINGSCONTROLE
Een begrotingsonderzoek uitgevoerd in de loop van het eerste kwartaal van ieder jaar, waarbij de ministeriële departementen hun oorspronkelijke begrotingsgegevens actualiseren. Dit maakt het mogelijk eventuele afwijkingen
op de ontvangsten en/of uitgaven preventief op te sporen en bijsturende maatregelen te nemen. De resultaten van de begrotingscontrole kunnen, indien nodig, aanleiding geven tot een aanpassing van de Middelenbegroting, de
Algemene Uitgavenbegroting en ook van de Algemene Toelichting op de begroting.
BEGROTINGSKREDIET
Een bedrag opgenomen onder een artikelnummer in de begrotingstabel, waardoor tevens een machti ging tot uitgave wordt gegeven, binnen de perken en voor de doeleinden bepaald voor dit krediet. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen vastleggingskredieten en vereffeningskredieten.
C
CENTRALE OVERHEID
Deze bestaat uit de samenvoeging van de federale overheid, de Gemeenschappen, Gewesten en de Gemeenschapscommissies.
D
DEBUDGETTERING
Een algemene term die aangeeft dat een bepaalde uitgave, die zou moeten zijn opgenomen, niet in de begroting voorkomt, maar op een andere wijze wordt gefinancierd.
DEFICIT SPENDING
Expansief begrotingsbeleid teneinde de conjunctuur te stimuleren of te ondersteunen door gewilde begrotingstekorten.
DERDENGELDEN
Derdengelden zijn gelden die de Schatkist int voor rekening van derden en later aan de begunstigden doorstort. Gelden die tijdelijk op een wachtrekening worden geplaatst voor latere definitieve aanrekening, worden eveneens hieronder geklasseerd.
E
ECONOMISCHE CLASSIFICATIE
Voorstelling van de begroting op basis van macro-economische criteria (consumptie, overdracht, investe ring, enz.) waardoor de verrichtingen van de Staat en van de andere openbare diensten kunnen worden ingepast in de nationale boekhouding (rekening van de overheidsdiensten). De basisallocaties en de artikelen van de Middelenbegroting dienen deze classificatie te volgen.  
 
De economische classificatie die thans wordt gebruikt is die van maart 2009, gebaseerd op het ESR95.
 
Een economische code bestaat uit vier cijfers:
 
- het eerste cijfer duidt de voornaamste economische aard van de verrichting aan;
- het tweede cijfer duidt aan of de verrichting slaat op een uitgave of op een ontvangst;
- het derde en het vierde cijfer stellen subgroepen voor die meer gedetailleerde informatie bieden.
ECONOMISCHE HERGROEPERING
Een volgens de criteria van de economische classificatie uitgevoerde consolidatie van de begrotingsverrichtingen van de verschillende entiteiten van de centrale overheid en van sommige instellingen van openbaar nut en inclusief, zonodig, debudgetteringen.
ENTITEIT I EN II
Voor de analyse van de openbare financiën in België wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen entiteit I en entiteit II.
Entiteit I hergroepeert de verrichtingen van de federale overheid en de sociale zekerheid, entiteit II deze van de lagere overheden en de Gemeenschappen en Gewesten.
ESR
Het Europees stelsel van nationale en regionale rekeningen (ESR 95) bevat de registratieregels die moeten worden toegepast om een onderling samenhangende, betrouwbare en vergelijkbare kwantitatieve beschrijving van de economieën van de lidstaten te verkrijgen.
 
Het is bestemd voor de instellingen van de Unie, voor de regeringen en voor de deelnemers aan het economisch en sociaal leven, die hun besluiten baseren op geharmoniseerde en betrouwbare statistieken.
 
Het ESR 95 is een uitermate belangrijk instrument voor het beheer van het beleid van de Europese Unie.
F
FACULTATIEVE TOELAGE
Toelage waarvan het voorwerp geen wettelijke grondslag heeft.
In dit geval moet een bijzondere bepaling, die de aard van de toelage preciseert, in de Algemene Uitgavenbegroting worden opgenomen.
Ze kan worden toegekend onder de voorwaarden vastgesteld door de Koning.
FINANCIERINGSBEHOEFTEN
Zie: VORDERINGENSALDI
FINANCIEWET
Wanneer de Middelenbegroting -  waarbij de regering elk jaar gemachtigd wordt de bestaande belastingen in te vorderen - niet goedgekeurd is op 31 december, machtigt de wet die voorlopige kredieten opent voor het begin van het volgend jaar, de regering over te gaan tot de inning van de belastingsinkomsten.
Die wet wordt financiewet genoemd.
FISCALE UITGAVEN
De fiscale uitgaven omvatten alle aftrekken, verminderingen en uitzonderingen op het algemeen stelsel van belastingheffing, die gelden ten voordele van de belastingplichtigen of van economische, sociale of culturele activiteiten.
Er wordt een inventaris van de fiscale uitgaven gepubliceerd als bijlage bij de Middelenbegroting.
FUNCTIONELE CLASSIFICATIE (OVERHEID)
Voorstelling van de overheidsverrichtingen volgens de verschillende doelstellingen en opdrachten die de overheid zich oplegt. De thans gebruikte functionele classificatie is die van juli 2005 gebaseerd op de COFOG 1998 (Classification Of the Functions Of Government).
 
Die classificatie omvat vier detailniveaus:
 
- 01.             Afdeling (of categorie met twee cijfers);
- 01.1           Groep (of categorie met drie cijfers);
- 01.11         Klasse (of categorie met vier cijfers);
- 01.11.1      Subklasse (of categorie met vijf cijfers).
 
De gebruikte codes worden altijd en systematisch voorgesteld op basis van de kleinste referentie-eenheid, met name de subklasse (vijf cijfers).
FUNCTIONELE HERGROEPERING
Een volgens de verschillende taken (functionele classificatie) van de verschillende entiteiten van de centrale overheid uitgevoerde consolidatie van de begrotingsverrichtingen, sommige instellingen van openbaar nut en inclusief,
zonodig, debudgetteringen, ongeacht de begroting waarin ze opgenomen zijn.
G
GEDEELDE BELASTING
Een rijksbelasting die op uniforme wijze over het hele grondgebied van het Rijk wordt geheven en waarvan de opbrengst geheel of gedeeltelijk aan de Vlaamse en Franse Gemeenschap wordt toegewezen. De gedeelde belastingen in de zin van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van Gemeenschappen en Gewesten zijn samengesteld uit de btw en uit de personenbelasting.
K
KAPITAALUITGAVEN
Zie : KAPITAALVERRICHTINGEN
KAPITAALVERRICHTINGEN
Onder kapitaalverrichtingen wordt verstaan:
 
- Kapitaaloverdrachten: financiële transfers die voor een andere sector (gezinnen, bedrijven, andere lokale besturen) een vermindering, respectievelijk een verhoging van zijn vermogen inhouden;
- Investeringen: verrichtingen in verband met de reële kapitaalvorming door de overheid (met uitzonde ring van de militaire investeringen);
- Kredietverleningen en deelnemingen: de kredietverleningen hebben betrekking op kapitalen die door de overheid worden verstrekt wanneer ze optreedt als bankier of obligatiehouder; de deelnemingen slaan op de kapitalen die door de overheid worden verleend wanneer ze optreedt als aandeelhouder of als enige eigenaar.
L
LINEAIRE OBLIGATIE (OLO)
Sinds mei 1989 geeft de Thesaurie lineaire obligaties uit, d.w.z. obligaties op lange termijn met een vaste rentevoet, looptijd en terugbetalingsprijs. Ze worden uitgegeven in maandelijkse tranches en de uitgifte prijs wordt bepaald bij aanbesteding. Er is geen consortium van banken, zodat de financiële instellingen vrij kunnen bieden. Lineaire obligaties zijn gedematerialiseerd, worden op een rekening ingeschreven en de aankoop- en verkoopver richtingen gebeuren via de clearing van de NBB.
LOPENDE UITGAVEN
Zie : LOPENDE VERRICHTINGEN.
LOPENDE VERRICHTINGEN
De lopende verrichtingen zijn deze die betrekking hebben op de productie en het verbruik, de inkomensvorming en -herverdeling. De lopende verrichtingen worden ingedeeld in:
 
- lopende uitgaven en ontvangsten voor goederen en diensten (consumptiebestedingen);
- rente, pacht en andere resultaten van vermogen en ondernemingsactiviteit;
- inkomensoverdrachten aan en van andere sectoren (bedrijven, gezinnen en het buitenland);
- inkomensoverdrachten binnen de sector overheid.
M
MIDDELENBEGROTING
De Middelenbegroting verleent machtiging voor de invordering van de belasting overeenkomstig de wetten, besluiten en tarieven die er betrekking op hebben. Ze bevat de raming van de ontvangsten van de Staat, ongeacht het departement dat de ontvangsten int, en vanaf 1991 de ontvangsten van de organieke fondsen, alsmede een raming van de opbrengst van de uit te schrijven geconsolideerde leningen. Ze verleent machtiging, binnen de grenzen en onder de voorwaarden die ze bepaalt, tot het aangaan van leningen.
O
ORGANIEK BEGROTINGSFONDS
Een organieke wet kan begrotingsfondsen creëren door sommige op de Middelenbegroting aangerekende ontvangsten te bestemmen voor bepaalde uitgaven, waarvan zij het voorwerp vaststelt.
ORGANISATIEAFDELING
Elke grote component van de departementale organisatie die een belangrijk beheercentrum vormt. Meestal gaat het om een hoofdbestuur, een algemene directie of een gelijkwaardige entiteit.
OVERSCHRIJVING VAN BEGROTINGSKREDIETEN
Verrichting die erin bestaat een krediet ingeschreven op een begrotingsprogramma geheel of gedeeltelijk over te schrijven naar een begrotingsprogramma van eenzelfde of een ander departement. De overschrijving kan slechts worden toegestaan door een wet houdende aanpassing van de begroting of door een koninklijk besluit tot herverdeling van de provisionele kredieten waarvan de uitvoeringsvoorwaarden worden omschreven in een specifieke wetsbepaling.
P
PREFINANCIERING VAN UITGAVEN
Vorm van debudgettering die slaat op uitgaven die ofwel rusten op de Staat, ofwel op een van de Staat onderscheiden instelling, waarbij in beide gevallen een beroep wordt gedaan op lening en waarvan de intrest-  en aflossingslasten gedragen worden door de Staat.
PROGRAMMA
Een geheel van activiteiten binnen een organisatieafdeling die bijdragen tot de verwezenlijking van een doelstelling en die de inzet van begrotingsmiddelen vergen.
PROGRAMMASTRUCTUUR
Verdeling van de begrotingskredieten in groepen en subgroepen in deze volgorde: departementale begroting, organisatieafdeling, activiteitenprogramma’s en basisallocaties.
PROVISIONEEL KREDIET
Krediet dat, indien nodig, in de begroting wordt opgenomen om voorzienbare bijkomende, maar nog niet verdeelde, uitgaven te dekken die onder meer voortvloeien uit de verwachte stijging van het indexcijfer van de consumptieprijzen.
S
SALDO VAN DE SCHATKISTVERRICHTINGEN
Zie : SCHATKISTVERRICHTINGEN.
SAMENGEVOEGDE BELASTING
Een rijksbelasting die op uniforme wijze over het hele grondgebied van het Rijk wordt geheven en waarvan een bepaald gedeelte van de opbrengst aan de Gewesten wordt toegewezen overeenkomstig de bepalingen van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschap pen en de Gewesten. Op dit toegewezen gedeelte van de opbrengst mogen de Gewesten opcentiemen heffen en, vanaf 1 januari 1994, mogen zij kortingen toekennen op deze belastingen, ze mogen daarbij niet meer korting toestaan dan het bedrag van de opbrengst dat hen is toegewezen.
SCHATKISTCERTIFICATEN
Effecten op korte termijn in euro die door de Schatkist bij concurrentiële aanbesteding zijn uitgegeven. Hun looptijd kan 3, 6 of 12 maanden bedragen.
SCHATKISTVERRICHTINGEN
De schatkistverrichtingen houden verband met derdengelden die de Schatkist beheert (bijvoorbeeld belastingen geïnd door de Staat ten behoeve van andere overheden), en met haar rol als kassier en bankier van het Rijk (bijvoorbeeld terugbetalingen van renten op beleggingen van de Schatkist, terugvorderbare voorschotten die niet zullen worden geregeld als begrotingsuitgaven), de uitgifteverschillen van leningen en van uitwisseling van effecten van de overheidsschuld alsook de verschillen in nominale aflossing van de overheidsschuld als deze verschilt van de overeenkomstige kasuitgave. Ze kunnen desgevallend sommige verrichtingen integreren die gelijkgesteld zijn aan verrichtingen buiten begroting.
SCHATKISTVOORSCHOTTEN
Machtigingen tot het vastleggen en het betalen van dringende uitgaven die niet op de begroting zijn uitgetrokken maar door de Ministerraad zijn toegestaan. Die voorschotten dienen naderhand geregulariseerd te worden door de goedkeuring van bijkredieten in het aanpassingsblad.
T
TOEGEWEZEN ONTVANGSTEN
Ontvangsten die voorbehouden zijn voor het dekken van bepaalde, duidelijk afgebakende uitgaven. Vroeger ging dit gepaard met een boeking op een fonds en kwamen deze ontvangsten niet voor in de Middelenbegroting. Vanaf 1991 komen deze ontvangsten, in het kader van de oprichting van de organieke fondsen, in de Middelenbegroting.
V
VARIABEL KREDIET
Een in de Algemene Uitgavenbegroting opgenomen krediet van een organiek begrotingsfonds dat varieert in functie van de aangerekende toegewezen ontvangsten op de overeenkomstige posten van de Middelenbegroting.
VASTE UITGAVEN
Uitgaven van terugkerende aard (wedden, lonen, vergoe dingen, abonnementen, huren, pensioenen).
VASTLEGGINGSKREDIET
Bedragen ten belope waarvan sommen mogen worden vastgelegd uit hoofde van verbintenissen die gedurende het begrotingsjaar zijn ontstaan of aangegaan.
 
Wanneer de ontstane of aangegane verbintenissen van terugkerende aard zijn (wedden, huur, abonnementen, enz.) en gevolgen hebben voor verschillende jaren, dekken de vastleggingskredieten enkel de sommen die opeisbaar
zijn gedurende het begrotingsjaar.
 
Voor de gevallen die duidelijk geen terugkerend karakter hebben, bijv. overheidsopdrachten, blijft de vastlegging van het geheel van de geplande lasten vereist en dit van bij de aanvang.
VEREFFENINGSKREDIET
Bedragen ten belope waarvan sommen gedurende het begrotingsjaar kunnen worden vereffend uit hoofde van vastgestelde rechten voortvloeiend uit vooraf vastgelegde verbintenissen.
VOORLOPIG KREDIET
Kredieten die door het parlement aan de regering worden toegekend voor één of meer maanden wanneer de Uitgavenbegroting niet kan worden goedgekeurd voor 31 december van het aan het begrotingsjaar voorafgaande jaar. Ze zijn te beschouwen als een voorschot op de nog goed te keuren begrotingskredieten. Deze kredieten mogen, in principe, niet worden aangewend voor nieuwe uitgaven, die vroeger niet toegelaten waren door de Wetgevende Macht. De voorlopige kredieten worden berekend in verhouding tot die van de laatst goedgekeurde Algemene Uitgavenbegroting.
Z
ZILVERFONDS
Het Zilverfonds werd opgericht bij de wet van 5 september 2001 (BS 14 september 2001) en gewijzigd bij de wet van 20 december 2005 (BS 14 maart 2006). Die wet waarborgt een voortdurende vermindering van de overheidsschuld
en richt een Zilverfonds op. Het Fonds heeft als doelstelling reserves aan te leggen die moeten toelaten om in de periode 2010-2030 de extra-uitgaven van de diverse wettelijke pensioenstelsels ten gevolge van de vergrijzing van de bevolking te betalen. Het Zilverfonds kan gefinancierd worden uit: begrotingsoverschotten, overschotten van de sociale zekerheid, niet-fiscale ontvangsten en de opbrengsten van de beleggingen van het Fonds. Het Zilverfonds kan vanaf 2010 uitgaven verrichten op voorwaarde dat de schuldgraad van de overheid lager is dan 60% van het bruto binnenlands product.

|  Jobs  |  Contact  |  Privacy  | ©  2017  Belgische Federale Overheidsdiensten