WETTELIJKE GRONDSLAG
De artikelen 43, 44, 45, 48, 50 en 51 van de wet houdende organisatie
van de
begroting en van de federale Staat :
Artikel 43 – "Elk jaar keurt de Kamer van
volksvertegenwoordigers de begroting van het algemeen bestuur
goed.”
Artikel 44
– “De ministerraad beslist
over de maatregelen, noodzakelijk voor de opmaak van de
begroting.
De
Minister van Begroting stelt de ontwerpen van begrotingswet op en de
amendementen van de regering bij deze ontwerpen.
”
Artikel 45
–
“De ontwerpen van de middelenbegroting en van algemene
uitgavenbegroting worden, samen met een algemene toelichting bij die
ontwerpen, ingediend bij de Kamer van volksvertegenwoordigers uiterlijk
op 31 oktober van het jaar dat het begrotingsjaar voorafgaat.
Artikel 48
–
“De algemene uitgavenbegroting voorziet in en verleent
machtiging voor de uitgaven, per programma, van het algemeen
bestuur.
De
kredieten voor de programma's groeperen onderscheidenlijk de
begrotingsmiddelen die betrekking hebben op de werkingskosten en op de
doelstellingen van de activiteitenprogramma's.
De
algemene uitgavenbegroting bepaalt, zo nodig, de aan de uitgaven
verbonden voorwaarden. Bij ontstentenis van een organieke wet, moet er
voor elke subsidie in de algemene uitgavenbegroting een speciale
bepaling zijn die de aard van de subsidie preciseert; die subsidies
kunnen worden toegekend onder de voorwaarden vastgesteld door de
Koning, op voordracht van de Minister van Begroting.
De
algemene uitgavenbegroting wordt uiterlijk op 31 december van het jaar
dat aan het begrotingsjaar voorafgaat door de Kamer van
volksvertegenwoordigers goedgekeurd.”
Artikel 50 – “De verantwoording van de algemene
uitgavenbegroting is samengesteld uit nota's waarin de algemene
beleidslijnen
van de federale overheidsdiensten worden uiteengezet, en, per
organisatieafdeling, de toegewezen opdrachten en, per programma, de
nagestreefde doelstellingen, alsook de aan te wenden middelen om deze
te
bereiken. Ze bevat daarenboven een uitsplitsing van de in artikel 47,
tweede
lid, bedoelde inventaris en preciseert aldus in welke mate fiscale
uitgaven
bijdragen tot het bereiken van de doelstellingen van elk
programma”.
Artikel 51 – “De kredieten voor de
programma’s worden in de
begrotingstabellen volgens de economische classificatie opgesplitst in
basisallocaties, met opgave van de uitgaven bestemd voor de
financiële diensten
van geprefinancierde uitgaven. Deze bepaling geldt niet voor de
kredieten
ingeschreven voor de dotaties.”
INHOUD De
algemene uitgavenbegroting (AUB) bevat de uitgavenkredieten van de
diensten van
algemeen bestuur van de Staat, de Staatsbedrijven, de Staatsdiensten
met
afzonderlijk beheer en de instellingen van openbaar nut van categorie A
(wet
van 16 maart 1954). De algemene
structuur van de algemene uitgavenbegroting
De AUB is samengesteld uit de volgende delen:
a) De eigenlijke begroting
die bestaat uit:
1.
Een toelichting
met:
een algemene inleiding;
de verantwoording van de
wettelijke bepalingen.
2.
Het wetsontwerp
met:
bepalingen van algemene aard;
bijzondere bepalingen van de
departementen;
bepalingen m.b.t. de
terugbetalings -en toewijzingsfondsen;
bepalingen m.b.t. de
staatsdiensten met afzonderlijk beheer;
bepalingen m.b.t. de
staatsbedrijven.
3.
De krediettabellen
gevoegd bij de wet:
dotaties (begroting zonder
programma’s);
departementale begrotingen;
terugbetalings- en
toewijzingsfondsen;
staatsdiensten met afzonderlijk
beheer;
staatsbedrijven;
instellingen van openbaar nut (
categorie A).
b) De verantwoording van
de AUB:
De
verantwoording is samengesteld uit verantwoordingsnota’s
waarin, per sectie
(departementale begroting) de algemene beleidslijnen, per
organisatieafdeling de eraan toegewezen opdrachten en de
nagestreefde
doeleinden van de programma’s worden uiteengezet, alsook de
uitgetrokken
middelen, worden vermeld om deze doelstellingen te verwezenlijken.
Hoewel over
het verantwoordingsprogramma niet gestemd wordt en het dus louter als
informatie voor de parlementairen aan de begroting wordt toegevoegd,
dienen de
ministers niettemin een bijzondere inspanning te leveren om de
beleidsinhoud
van de voorgestelde activiteitenprogramma’s op afdoende wijze
toe te lichten.
De verantwoordingsnota’s zouden dus in elk geval de volgende
essentiële
elementen moeten bevatten:
indicatoren die een
reële evaluatie van de verwezenlijking van de
programma’s mogelijk maken;
concrete en becijferde gegevens
over de behaalde resultaten tijdens het vorige jaar.
Aan
de eigenlijke verantwoording worden, als bijlage, ook nog globale
verantwoordingen
toegevoegd die louter statistische informatie geven over de
bestaansmiddelenprogramma’s (personeels- en
werkingskredieten).
c) De algemene beleidslijnen:
De
algemene beleidslijnen maken in principe deel uit van de verantwoording
van de
AUB, maar worden in de praktijk als afzonderlijke documenten per
departement
bij de Kamer ingediend. De zogenaamde “beleidsnota”
is een politiek document
waarin de ministers de grote lijnen van hun beleid schetsen met een
link naar
de hen toegekende middelen en ook de belangrijkste doelstellingen en
projecten
beklemtonen.