De wet van 20 juli 1921 heeft de comptabiliteit
der vastgelegde uitgaven ingevoerd.
De controle van de vastleggingen gebeurt in
zijn
huidige vorm sinds de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van
31 mei
1966 tot regeling van de controle op de vastlegging van de uitgaven in
de
diensten van algemeen bestuur van de Staat.
De dienst controle van de vastleggingen komt in
de begrotingscyclus tussen in het stadium van de controle op de
uitvoering van
de begroting.
De wet van 20 juli 1921 heeft een
boekhoudkundige betekenis gegeven aan de vastleggingsverrichting.
De belangrijkste opdrachten van de dienst zijn
enerzijds elke kredietoverschrijding te vermijden en anderzijds toezien
op denaleving van het begrotingsprincipe van de
administratieve specialiteit.
In tegenstelling tot de Inspectie van
Financiën,
mag de controleur zich niet inlaten met de beoordeling van de
opportuniteit van
een uitgave. Hij beperkt zich tot de regelmatigheid en de wettelijkheid
van een
uitgave. Toch is een intensieve samenwerking met de Inspectie van
Financiën
onontbeerlijk.