In
de eerste kolom van
de tabel vindt men
een omschrijving van de goedgekeurde kredieten.De
structuur van de kredieten is vast met
verschillende onderverdelingen (kolom 2):
Organisatieafdeling (voorbeeld:
OA 51 – DG1-Gezondheidszorgvoorzieningen)
Onder
organisatieafdeling verstaat men elk groot onderdeel van een
departementale
organisatie (= FOD/POD) die een op zichzelf staand beheerscentrum
vormt. Het
gaat meestal om algemene directies.
Programma (voorbeeld: 0
Bestaansmiddelenprogramma)
Aan
elke organisatieafdeling zijn een of meerdere programma’s
verbonden, die
gedefinieerd kunnen worden als een geheel van uitgaven. Men maakt een
onderscheid tussen de bestaansmiddelenprogramma’s die nodig
zijn om de
personeels-, werkings- en uitrustingskosten van een organisatieafdeling
te
dekken, en de activiteitenprogramma’s, die de uitgaven
groeperen die specifiek
verbonden kunnen worden met de activiteiten van een organisatieafdeling
en die
gericht zijn op de realisatie van bepaalde
beleidsdoelstellingen.
Het is
belangrijk om weten dat de machtiging van de wetgever tot het doen van
uitgaven
zich juist situeert op het niveau van de programma’s.
De
programma-activiteit betreft de nadere aanwijzing van een opdracht
binnen een
programma.
Basisallocatie
(voorbeeld: 74.22.04Investeringsuitgaven inzake de informatica)
De
basisallocatie is het kleinste onderdeel van de structuur, dat
overeenstemt met
een welbepaald krediet of een welbepaalde gemachtigde uitgave.
De eerste vier cijfers van de basisallocatie
geven een aanduiding van de economische aard (economische code) van de
verrichtingen ten laste van het betrokken krediet; deze maken een
hergroepering
van de staatsuitgaven mogelijk (de zgn. economische hergroepering); de
laatste
twee cijfers betreffen enkel een volgnummer:
voorbeeld:
- 74: Verwerving
van overige investeringsgoederen, waaronder onlichamelijke zaken;
- 22: Bijdragen
in toevallige exploitatieverliezen van overheidsbedrijven (pro memorie).
CRIPG (voorbeeld: kolom 11)
C: uitgaven bestemd voor de
financiële dienst van geprefinancierde uitgaven;
R: uitgaven volledig beschouwd als wetenschappelijk onderzoek of als
wetenschappelijk dienstbetoon;
I: uitgaven volledig beschouwd als overheidsinvestering;
P: transfer (geheel of gedeeltelijk) naar een "parastataal";
G: uitgaven
voor acties om de gelijkheid tussen mannen en vrouwen te
bewerkstelligen.