De
algemene begrotingsbeginselen die hierna worden toegelicht zijn van
toepassing op de
diensten van het algemeen bestuur, namelijk alle FOD’s en
POD’s, ongeacht of ze al of niet
het FEDCOMsysteem toepassen.
De
éénjarigheid
De begroting is slechts
één jaar geldig. Ieder jaar keurt de Kamer van
volksvertegenwoordigers de begroting goed.
Over
de belastingen ten
behoeve van de Staat wordt jaarlijks gestemd. De regels die
ze invoeren gelden slechts voor één jaar tenzij
ze vernieuwd worden.
De
ontvangsten en uitgaven van de
diensten van
algemeen bestuur van de Staat
voor elk begrotingsjaar worden vastgesteld en toegestaan bij jaarlijkse
wetten. Het begrotingsjaar begint op 1 januari en eindigt op 31
december van hetzelfde jaar. Het boekjaar (algemene
comptabiliteit) en
het begrotingsjaar
(begrotingscomptabiliteit) vallen samen met het kalenderjaar.
Om
de uitvoerende macht (de regering) toe te laten zijn opdracht met enige
soepelheid te
volbrengen, werden een aantal afwijkingen
op de regel van de eenjarigheid vastgelegd.
De
specialiteit
De
Kamer van volksvertegenwoordigers stelt de
kredieten van elk begrotingsprogramma vast. Elke uitgave stemt overeen
met een specifieke begrotingspost.
De
ministers mogen geen enkele uitgave
vastleggen of vereffenen boven
de voor ieder van hen bij wet geopende kredieten of boven de
machtigingen verleend door de Ministerraad krachtens artikel 70 (wet van 22 mei 2003).Ze mogen het bedrag van de
kredieten bestemd voor hun onderscheiden diensten niet verhogen door
bijzondere inkomsten (art. 61, 1ste en 2de lid, wet van 22 mei 2003).
Dit
artikel verbiedt de ministers voor een uitgave waarvan de aard bepaald
is, een
bedrag te besteden hoger dan het krediet dat bij wet is uitgetrokken
voor deze
uitgaven. Dit zou op verschillende manieren kunnen gebeuren:
door een krediet over te
schrijven van een programma naar een ander (en
het principe van de specialiteit te schenden);
door bijzondere bronnen (van
inkomsten) aan te spreken (en het principe
van de universaliteit te schenden);
door te proberen een uitgave
aan te rekenen op het krediet van een
programma voor een uitgave van een andere aard (dit zou een foutieve
aanrekening zijn en dus een schending van de specialiteit).
Het
Rekenhof waakt
erover dat geen artikel van
de uitgaven van de
begroting
wordt overschreden en dat geen overschrijving (transfer tussen
begrotingsartikelen) plaats heeft. Het Rekenhof heeft permanent en
onmiddellijk toegang tot de budgettaire
aanrekeningen. Het licht zonder uitstel de bevoegde Minister, de
Minister van
Begroting en, in voorkomend geval, de Kamer van volksvertegenwoordigers
in over
elke vastgestelde overschrijding of overschrijving van de kredieten.
De
controleurs van
de vastleggingen zien erop
toe dat de uitgaven juist
worden
aangerekend op de basisallocaties en dat deze laatste niet worden
overschreden.
Sinds
de invoering
van de algemene
uitgavenbegroting volgens een programmastructuur ligt de wettelijke
specialiteit op het niveau van de kredieten voor de
programma’s en de administratieve
specialiteit op het niveau
van de basisallocaties.
Daarnaast
omvat
het beginsel van de
specialiteit twee aspecten:
kwalitatief aspect:
de verplichting de begrotingstoekenning te eerbiedigen van de
kredieten die voor elke uitgave worden uitgetrokken (geen
overschrijvingen);
kwantitatief aspect:
het verbod de bedragen te overschrijden die voor elk ervan
zijn goedgekeurd.
Elk
jaar wordt
door de Kamer van
volksvertegenwoordigers de eindrekening vastgesteld en
de begroting goedgekeurd.
De
regel van de
eenheid vereist dat alle
ontvangsten en alle uitgaven van de Staat in een
enkel document worden opgenomen en tegelijkertijd ter goedkeuring
worden voorgelegd
aan de begrotingsoverheid. Er mag slechts een
enkele
Staatsbegroting bestaan. Deze begroting dient de ontvangsten en de
uitgaven van alle
Staatsdiensten te groeperen, zonder uitzondering.
Deze
regel schept
duidelijkheid en oprechtheid
en werd traditioneel beschouwd als
noodzakelijk om een gezond beheer van de overheidsfinanciën te
waarborgen. Het spreekt
vanzelf dat als de machtigingen tot uitgaven en de ramingen van de
ontvangsten zouden
verdeeld zijn over verschillende akten, het moeilijk zou zijn om snel
te bepalen of ze in
evenwicht zijn.
De
begroting van de Staat wordt voorgesteld in de vorm van twee
afzonderlijke
begrotingsdocumenten: de middelenbegroting en de algemene
uitgavenbegroting. Het
beginsel van de eenheid wordt dus niet naar de letter nageleefd maar
wel in de geest. Dit
gebeurt dankzij, enerzijds de verdeling onder de parlementsleden van de
algemene
toelichting – een document met tal van samenvattende tabellen
- en dat de verschillende
elementen van de begroting in een globaal perspectief plaatst;
anderzijds worden die drie
documenten tegelijkertijd ingediend tegen 31 oktober van het jaar dat
voorafgaat aan het
betrokken begrotingsjaar.
In
de fase van de
rekeningen neemt de wet tot
goedkeuring van de algemene
rekening van het algemeen bestuur de vorm aan van een enige akte over
alle
ontvangsten en uitgaven van de Staat.
Alle
staatsontvangsten en -uitgaven moeten op
de begroting en in de rekeningen
worden gebracht. De ministers mogen het bedrag van de kredieten bestemd
voor hun
onderscheiden
diensten niet verhogen door bijzondere inkomsten.
De
regel van de
universaliteit bevat
voornamelijk het verbod compensaties te maken
tussen sommige ontvangsten en sommige uitgaven. Zo’n
werkwijze zou ertoe leiden
dat in de begroting enkel het saldo van de verrichting voorkomt. Daarom
ook noemt men dit
de regel van niet- samentrekking of van bruto-opbrengst.
Het
betekent dus
dat alle ontvangsten dienen te
worden ingeschreven in de
middelenbegroting voor hun volledig bedrag, zonder enige aftrek voor
inningskosten of van
andere aard. Zo ook moeten alle uitgaven in hun totaal worden
ingeschreven in de
begroting, zonder compensatie (d.w.z. zonder samentrekking) door hun
overeenstemmende
ontvangsten.
Toegepast
bijvoorbeeld op de ontvangstdiensten,
vereist dit principe dat ontvangst wordt
gemaakt van het volledig bedrag van de opbrengsten. De kosten voor
inning en regeling,
evenals andere bijkomende kosten, worden geboekt als uitgaven.
Een
netto
begroting daarentegen neemt enkel het
netto bedrag op van de uitgaven en de
ontvangsten die ermee overeenstemmen, na onderling enkele compensaties
te hebben uitgevoerd.
De
gezamenlijke
ontvangsten zijn bestemd voor
de gezamenlijke uitgaven.
Dit
is een logisch
gevolg van het principe van
de universaliteit. Het betekent dat de
gezamenlijke ontvangsten geïnd door de Schatkist voor rekening
van de Staat opgaan in een
enkele massa die zonder onderscheid van bron, de gezamenlijke uitgaven
dekt van de Staat. Alle
ontvangsten
vormen een massa waarin ze hun
individualiteit
verliezen en waarop de nodige fondsen worden afgehouden voor de
uitgaven, zonder dat
het mogelijk is te bepalen welke bijzondere ontvangst deze of geen
uitgaven heeft mogelijk
gemaakt.
Soms
bestaat de neiging om de regel van niet-toewijzing te verwarren met de
regel van
universaliteit. Universaliteit bestaat erin afzonderlijk in de
begroting alle uitgaven in te schrijven en alle ontvangsten, zonder
onderling compensatie uit te voeren. Het principe van
niet-toewijzing verbiedt dat sommige ontvangsten dienen om bepaalde
uitgaven te dekken,
terwijl de ene en de andere in de begroting zijn ingeschreven. De
universaliteit verbiedt
boekhoudkundige compensaties, terwijl de niet-toewijzing juridische
verbindingen verbiedt
tussen ontvangsten en uitgaven.
Alle
in de kassen van het algemeen bestuur
ontvangen geld wordt gecentraliseerd op
de rekening van de Staatskas.
Geen
uitgave kan
worden gedaan zonder de
tussenkomst van de Minister van
Financiën, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen.
De
regel van de
eenheid van kas vloeit net als
de niet-toewijzing van de ontvangsten, voort
uit het principe van de universaliteit van de begroting. Een enkele kas
centraliseert alle
ontvangsten van gelden en voorziet in de uitgaven van de verschillende
diensten, onder het
gezag van de Minister van Financiën.
De
openbaarheid
Iedereen
kan de begroting inkijken. In
België komt de begroting tot stand in de vorm van
een wet.
De
regering dient
hiertoe jaarlijks twee
wetsontwerpen (ontvangsten en uitgaven)
in bij de Kamer van volksvertegenwoordigers. Deze worden in openbare
vergadering, zowel
in commissie als in plenum, besproken en ter stemming gebracht. Na
goedkeuring worden
ze in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Dit
geldt ook voor
de rekeningen (het
eindresultaat van de begroting). Ook de diverse media dragen in ruime
mate bij tot de
openbaarheid van de begrotingen.