Geconfronteerd
met de uitdaging van de vergrijzing van de bevolking en dus met
stijgende
uitgaven op het vlak van pensioenen en gezondheidszorg wou de regering
reeds in
2001 een duidelijk verband leggen tussen de begrotingsinspanningen en
de
financiering van de toekomstige pensioenlasten, om de last ervan niet
af te
schuiven op toekomstige generaties.
Zo werd de wet van 5
september 2001 tot waarborging van een voortdurende
vermindering van de overheidsschuld en tot oprichting van een
Zilverfonds,
aangenomen.
Deze wet bevat twee onderdelen. Het eerste omvat bepalingen in verband
met de
financiering en de werking van het Zilverfonds, het tweede een aantal
bepalingen inzake de voorbereiding van het regeringsbeleid inzake
vergrijzing.
In het Zilverfonds worden
middelen gekapitaliseerd om tegen 2030 de stijging van de
pensioenuitgaven te
financieren.
De financieringsbronnen van
het Zilverfonds zijn:
begrotingsoverschotten;
overschotten van de sociale zekerheid;
niet-fiscale ontvangsten;
de opbrengsten uit beleggingen van het
Zilverfonds.
De
middelen van het Zilverfonds worden belegd in obligaties die daartoe
specifiek
werden opgericht en “schatkistbons –
zilverfonds” worden genoemd en op vraag
van het Fonds worden uitgegeven. Deze schatkistbons leveren interesten
op, zijn
niet verhandelbaar en ze zijn van het type
nulcoupon. Het Zilverfonds kan aldus
beschouwd worden als een vorm van collectieve kapitalisatie in het
pensioenstelsel.
In de
loop van de eerste jaren van zijn bestaan, werd het Zilverfonds
hoofdzakelijk
gestijfd met niet-fiscale ontvangsten. Om het verband tussen het
begrotingsbeleid en de financiering van het Zilverfonds te versterken,
besloot
de regering de wet op de financiering van het Zilverfonds aan te
passen. Dit
resulteerde in de wet tot wijziging van de wet van 5 september 2001 tot
waarborging van een voortdurende vermindering van de overheidsschuld en
tot
oprichting van een Zilverfonds.
Er werden dan ook nieuwe
financieringsregels opgesteld. De uitdaging op korte termijn bestond er
immers in
het evenwicht een permanent structureel karakter te geven om aldus
vanaf 2007 structurele
overschotten op te bouwen. Deze moesten leiden tot een snelle afbouw
van de
schuld en op die manier ruimte creëren om de budgettaire
gevolgen van de
vergrijzing op te vangen. Vanaf 2007 zou de financiering door
niet-fiscale
ontvangsten dus plaats maken voor een structurele financiering. Vanaf
dat
zelfde jaar 2007 zou daarom 0,3 % van het BBP aan het Zilverfonds
worden
toegewezen. Dit bedrag zou van 2008 tot 2012 jaarlijks met 0,2% van het
BBP worden
verhoogd. Hoeveel er in de begrotingsjaren nadien zou worden gestort in
het
Fonds, wordt bepaald door de Koning bij besluit vastgesteld na overleg
in de Ministerraad.
De herziene wet bepaalde ook dat de financiering afkomstig van
schuldverminderende operaties die geen invloed hebben op het
vorderingensaldo,
beperkt blijft tot 250 miljoen euro per jaar tot in 2010 en 500 miljoen
euro
per jaar voor de daaropvolgende jaren. Van deze mogelijkheid werd in de
periode 2007- 2010 evenwel geen gebruik gemaakt.
De Zilvernota is bedoeld
om het regeringsbeleid inzake vergrijzing van de bevolking uiteen te
zetten. De
wet van 5 september 2001 tot waarborging van een voortdurende
vermindering van
de overheidsschuld en tot oprichting van een Zilverfonds bepaalt drie
stappen
in de opmaakprocedure voor de Zilvernota:
Jaarlijks
stelt de bij voornoemde wet opgerichte Studiecommissie voor de
Vergrijzing een
verslag op, met daarin onder meer een analyse van de budgettaire en
sociale
gevolgen van de vergrijzing.
De
afdeling Financieringsbehoeften van de Hoge Raad van Financiën
(een
adviesorgaan dat jaarlijks een advies uitbrengt over het
begrotingsbeleid)
formuleert haar aanbevelingen en houdt daarbij rekening met het verslag
van de
Studiecommissie voor de Vergrijzing.
De
regering is vervolgens verplicht om een Zilvernota op te stellen op
basis van
de conclusies van de Studiecommissie voor de vergrijzing en de Afdeling
financieringsbehoeften van de Hoge Raad van Financiën. In die
nota, die is opgenomen
in de Algemene Toelichting bij de begroting, zet de regering haar
beleidslijnen
uiteen voor het beheer van de problematiek van de vergrijzing van de
bevolking.
De
reserves van het Zilverfonds Met de toekenning aan het Zilverfonds van het
begrotingssurplus 2006
voor een bedrag van 176 miljoen euro werd voor het eerst de
inkomstenbron van de
begrotingssaldi aangesneden. Door het ontbreken van een
begrotingssurplus vanaf 2007
werden voor 2007, 2008 en 2009 geen middelen aan het Fonds meer
toegekend.
De aangepaste Zilverfonds-wet voorzag dat in 2010
principieel een bedrag aan het Zilverfonds
zou toegewezen worden gelijk aan 0,9 procent van het bruto binnenlands
product.
Wegens het ontbreken van een begrotingsoverschot in 2010 kon het
Zilverfonds evenwel
niet verder gealimenteerd worden. Er werd in 2010 evenmin overgegaan
tot de affectatie aan
het Fonds van niet-fiscale ontvangsten.