De generatie die geboren is na de Tweede
Wereldoorlog, de zogenaamde babyboomgeneratie, bereikt stilaan de
pensioengerechtigde leeftijd. De leeftijdssamenstelling van de
bevolking zal hierdoor dan ook sterk worden aangetast.Tegen 2010 zal 20
tot 30 procent van de Belgische bevolking 60 jaar zijn of ouder. In de
periode 2010-2030 zouden er ongeveer achthonderdduizend personen op
pensioen gaan.
Stijgende
uitgaven voor sociale zekerheid
De vergrijzing van de bevolking zal aanleiding
geven tot een sterkere stijging van de uitgaven voor pensioenen en voor
gezondheidszorg, ook als gevolg van de ontwikkelingen in de
technologie. Daarentegen zou het gewicht van andere sociale uitgaven
(kinderbijslag en werkloosheid) in termen van het BBP moeten afnemen.
In het algemeen zou het gewicht van de uitgaven voor sociale zekerheid
over de periode 2006-2030 toenemen met ongeveer 4,4% van het BBP en met
6,2% BBP over de periode 2006-2050.
Hoe
gaat men dit in de toekomst financieren?
Op lange termijn zal deze demografische evolutie
wegen op de uitgaven van de sociale zekerheid zodat deze onbetaalbaar
dreigen te worden.
Schuldafbouw
schept ruimte voor de toekomst
België worstelt nog altijd met een hoge
staatsschuld, hoewel de laatste jaren een bemoedigende vooruitgang in
de schuldafbouw is geboekt. De overheid betaalt nog steeds een
aanzienlijk bedrag aan rentelasten op deze schuld. Door de schuldgraad
versneld af te bouwen, kunnen ook deze rentelasten versneld worden
gereduceerd, zodat er ruimte vrijkomt voor onder meer de financiering
van de stijgende uitgaven voor pensioenen en ziekteverzekering.
Naast
het begrotingsbeleid kunnen ook andere beleidsdomeinen bijdragen tot
het opvangen van de kost van de vergrijzing. Zo kunnen een verhoging
van de activiteitsgraad en het stimuleren van de economische groei
zorgen voor een ruimere financieringsbasis.
De
oprichting van het Zilverfonds
Reeds in 2001 wou de regering een duidelijke band
creëren tussen de begrotingsinspanningen en de financiering
van de toekomstige pensioenlasten, het beleid inzake veroudering beter
onderbouwen en tegelijk op lange termijn een voldoende collectief
welvaartsniveau garanderen. Zo werd de wet van 5 september 2001 tot
waarborging van een voortdurende vermindering van de overheidsschuld en
tot oprichting van een Zilverfonds, aangenomen. Het Zilverfonds was
geboren.
Deze wet bevat twee onderdelen. Het eerste omvat bepalingen in verband
met de financiering en de werking van het Zilverfonds, het tweede een
aantal bepalingen inzake de voorbereiding van het regeringsbeleid
inzake vergrijzing.
In de loop van de eerste jaren van zijn bestaan,
werd het Zilverfonds
hoofdzakelijk gespijsd met niet-fiscale ontvangsten. Om het verband te
versterken tussen het begrotingsbeleid en de financiering van het
Zilverfonds, besloot de regering de wet op de financiering van het
Zilverfonds aan te passen. Dit resulteerde in de wet tot wijziging van
de wet van 5 september 2001 tot waarborging van een voortdurende
vermindering van de overheidsschuld en tot oprichting van een
Zilverfonds.
In de
gewijzigde wet werden nieuwe
financieringsregels opgesteld. De uitdaging op korte termijn bestaat
erin het evenwicht permanent structureel te maken. De structurele
overschotten die vanaf 2007 zullen ontstaan, moeten leiden tot een
snelle afbouw van de schuld en op die manier ruimte creëren om
de budgettaire gevolgen van de vergrijzing op te vangen. Vanaf 2007 zou
0,3 % BBP kunnen worden overgemaakt aan het Zilverfonds. Dit bedrag zal
van 2008 tot 2012 jaarlijks worden verhoogd met 0,2% BBP. Er werd
eveneens bepaald dat de financiering afkomstig van schuldverminderende
operaties die geen invloed hebben op het vorderingensaldo, beperkt
blijft tot 250 miljoen euro per jaar tot in 2010 en 500 miljoen euro
per jaar voor de daaropvolgende jaren.
In
het Zilverfonds worden middelen gekapitaliseerd
om de stijging van de pensioenuitgaven tussen 2010 en 2030 te
financieren.
De
financieringsbronnen van het Zilverfonds zijn:
begrotingsoverschotten;
overschotten van de sociale zekerheid;
niet-fiscale ontvangsten;
de opbrengsten uit beleggingen van het Zilverfonds.
De
middelen van het Zilverfonds worden belegd in speciaal daartoe
gecreëerde obligaties, genaamd (Schatkistbons - Zilverfonds),
die worden uitgegeven op vraag van het Fonds. Deze schatkistbons
leveren
interesten op, de prijs kan niet worden onderhandeld en ze zijn van het
type nulcoupon. Het Zilverfonds kan aldus beschouwd worden
als
een vorm van collectieve kapitaalbelegging binnen het pensioensysteem.
Vanaf
2010, en van zodra de schuldgraad zich onder de 60% bevindt, kan het
kapitaal van het Zilverfonds worden aangesproken ter financiering van
de verschillende wettelijke pensioenstelsels.
De
reserves van het Zilverfonds
In 2008 principieel een bedrag
aan het Zilverfonds zou toegewezen worden gelijk aan 0,5 procent van
het bruto binnenlands product. Wegens het ontbreken van een overschot
besliste de Regering dat de in de wet voorziene stortingen naar het
Zilverfonds niet zouden kunnen gebeuren. Er werd evenmin overgegaan tot
de affectatie aan het Fonds van niet-fiscale ontvangsten.
Beleggingen
uitgevoerd in de periode 2001-2007 (in EUR)
Bij het einde
einde van zijn zevende werkingsjaar, bedraagt de portefeuille van het
Zilverfonds, met begrip van de prorata temporis verworven interesten op
de zerocouponleningen, 16.183,1 miljoen EUR, wat een stijging van 689,4
miljoen EUR betekent ten opzichte van de toestand eind 2007:
In 2021, zal de
portefeuille die het Zilverfonds eind 2008 opgebouwd heeft 21.874,3
miljoen euro waard zijn.
De Zilvernota
opgenomen in de Algemene Toelichting bij de begroting zet het
regeringsbeleid uiteen met betrekking tot de vergrijzing van de
bevolking. De wet van 5 september 2001 tot waarborging van een
voortdurende vermindering van de overheidsschuld en tot oprichting van
een Zilverfonds bepaalt drie stappen in de opmaakprocedure voor de
Zilvernota:
Jaarlijks
stelt de bij de genoemde wet opgerichte Studiecommissie voor de
Vergrijzing een verslag op, met daarin onder meer een analyse van de
budgettaire en sociale gevolgen van de vergrijzing.
De
afdeling Financieringsbehoeften van de Hoge Raad van Financiën
(een adviesorgaan dat jaarlijks een advies uitbrengt over het
budgettair beleid) houdt bij het formuleren van haar
aanbevelingen rekening met het verslag van de Studiecommissie voor de
Vergrijzing.
De
regering is tenslotte verplicht om jaarlijks een Zilvernota op te
stellen, in functie van de conclusies van de Studiecommissie voor de
vergrijzing en de Afdeling financieringsbehoeften van de Hoge Raad van
Financiën. Deze wordt opgenomen in de Algemene Toelichting bij
de begroting. In deze nota zet de regering haar beleidslijnen uiteen
inzake het beheer van de problematiek van de vergrijzing van de
bevolking.