De wet
van 22 mei 2003 houdende organisatie van de
begroting en van de
comptabiliteit van de Federale Staat (Belgisch Staatsblad van 3 juli
2003) is op 1 januari 2009 in werking getreden. Alle departementen zijn het systeem Fedcom sinds 1 januari 2012 ingegaan. Het door deze organieke
begrotingswet ingevoerde nieuw begrotingsstelsel heeft een ingrijpende
weerslag op de opmaak en de uitvoering van de Algemene
Uitgavenbegroting, onder meer met betrekking tot de soorten kredieten,
het systeem van de kredietoverdrachten en de vereffening van het
“encours”.
De
kredietsoorten
De ramingen van
de uitgaven worden vanaf het begrotingsjaar 2009 uitgedrukt in termen
van verbintenissen die de Staat aangaat en in termen van vastgestelde
rechten. Vandaar dat voor de uitgavenkredieten voortaan een
algemeen onderscheid wordt gemaakt tussen (gesplitste)
vastleggingskredieten en vereffeningskredieten (deze laatste in plaats
van de vroegere ordonnanceringskredieten). De niet-gesplitste
kredieten, zowel lopend jaar als voor schuldvorderingen van vorige
jaren, die voorheen zowel de vastleggingsakten als de
ordonnanceringsverrichtingen dekten, verdwijnen.
De vastleggingskredieten
bepalen de bedragen die kunnen worden
vastgelegd uit hoofde van verbintenissen die ontstaan of worden
gesloten tijdens het begrotingsjaar.
De vereffeningskredieten
bepalen de bedragen die in de loop van het
begrotingsjaar kunnen worden vereffend uit hoofde van de vastgestelde
rechten voortvloeiend uit verbintenissen die vooraf zijn vastgelegd,
zowel in de loop van het begrotingsjaar als tijdens vorige jaren.
Het
systeem van de kredietoverdrachten en de vereffening van de nog
uitstaande vastleggingen.
Het systeem van de kredietoverdrachten wordt
afgeschaft. Artikel 21 van de nieuwe organieke begrotingswet bepaalt
ter zake: “De op het einde van het begrotingsjaar beschikbare
vastleggings- en vereffeningskredieten
worden geannuleerd.”
De vereffeningskredieten bepalen de bedragen die in de loop van het
begrotingsjaar kunnen worden vereffend uit hoofde van de vastgestelde
rechten voortvloeiend uit verbintenissen die vooraf zijn vastgelegd,
zowel in de loop van het begrotingsjaar als tijdens vorige
jaren. Daaruit volgt dat het uitstaand bedrag dat op het einde van een
begrotingsjaar is vastgelegd, kan worden vereffend ten laste van de
vereffeningskredieten van het (de)
volgende begrotingsja(a)r(en). Onder “uitstaand
bedrag” (het zogenaamde “encours” van de
vastleggingen) verstaat men het verschil tussen het vastgelegde bedrag
en het vereffende bedrag met verwijzing naar die vastlegging.